't Is stil in Amsterdam

Officieel mag je nergens op straat slapen in Nederland, ook niet op bankjes in parken of plantsoenen. Maar dakloos ben je helaas niet alleen tijdens kantooruren. Wat doe je ‘s nachts? Een drieluik.

Tekst: Nicolline van der Spek / Fotografie: Merlijn Michon

I Het Stoelenproject

In de rij voor een matrasje

Om half negen zijn de meeste mensen al binnen bij het Stoelenproject in de Marnixstraat. Iedereen kent de regels: na negen uur 's avonds kom je er niet meer in. Bonnetje of niet. Een bon geeft recht op een slaapplek, waarvan er officieel 45 zijn. Op maandag- en donderdagochtend worden ze uitgedeeld.

“Voor vandaag staan er vijftig man op de lijst”, zegt coördinator Mark Vos. “Maar we gaan ervan uit dat er altijd wel een aantal mensen overdag verdwaalt. Die zijn dan tegen iets lekkers aangelopen. Dus dan houd je wat plekken over. Maar vandaag moet ik iedereen wegsturen. Dat is het rottigste van mijn werk.”

Achter hem gaat een man op een stoel staan. Hij hangt zijn jas over het  EXIT-bordje. Alvast voor straks; het felle lampje hindert. Niemand zegt er wat van. Het wachten is op de matrassen, die om precies kwart voor negen worden uitgedeeld. Nu liggen ze nog opgestapeld achter een schot als de matten in het gymnastieklokaal.

Het aftellen is begonnen.

Iedereen haast zich met een matras onder de arm naar zijn lievelingsplek. Voor de een is dat tegenover de bar, voor de ander zo dicht mogelijk bij de voordeur, ver weg van de drukte. Een enkeling smokkelt twee matrassen mee. “Onze prinsessen op de erwt”, lacht een vrijwilliger achter de bar. Het is een keurige man in de pensioengerechtigde leeftijd. Samen met een andere vrijwilliger blijft hij vannacht slapen om een oogje in het zeil te houden. “Er gebeurt nooit wat hoor. Je hoort een hoop gesnurk. Dat is alles. “

Vandaag is het anders. Vandaag is er een lastige klant in huis, waar zelfs al weddenschappen op zijn afgesloten: die gaat het hier niet volhouden. Als hij ondanks herhaalde waarschuwingen maar blijft doorgaan met treiteren, grijpt coördinator Mark in en zet hij hem zonder pardon het pand uit. De vrijwilligers kijken bewonderend toe: zo doe je dat dus.

“Die man is net een magneet”, verklaart Mark, “die trekt gewoon ruzie aan. Moet je niet hebben. De mensen komen hier voor hun rust.”

De meesten liggen trouwens al te slapen. Er zijn geen dekens (het wassen is te duur) en ook geen kussens. De mensen liggen met hun hoofd op hun rugzak.

Wie niet al ligt, zit aan de lange tafel en kijkt naar de tv, waar de film Forrest Gump te zien is. Mark zet hem even op pauze om de mannen toe te spreken. Elke avond worden de regels nog eens uitgelegd: wie drugs wil gebruiken, wil drinken of de behoefte voelt om ruzie te maken of te discrimineren, wordt vriendelijk verzocht het pand te verlaten. Na een kort applaus gaat de tv weer aan en zien we hoe Tom Hanks door stom toeval en geluk van al zijn mislukkingen toch een succes weet te maken.

De jongens hier hebben minder geluk. Amsterdam is geen Hollywood. De jongens hier zijn overlevers. Taaie gasten. Sommigen moeten de volgende dag alweer vroeg op om te werken. Het licht kan uit.

II Het verhaal van Richard (49), gids bij Amsterdam Underground

Na twee uur wordt het eenzaam.”

“Het begon met coke. Daar was ik een paar jaar  superverslaafd aan. Ik ben drummer en zelfs dat ging beter op coke. Na een optreden sjouwde ik fluitend mijn drumstel naar driehoog. Tot ik heroïne ging gebruiken. Ik was een week euforisch. Daarna heb ik het maanden niet gebruikt. Toen het een half jaar later uitging met mijn vriendin zat ik zo stuk dat ik het opnieuw wilde gebruiken. Ik had alleen geen idee waar ik dat spul kon kopen, want die eerste keer had ik het spul gekregen van een vriend. Ik trok een lange regenjas aan en deed een hoed op, en ging de Wallen op. Daar woonden twee jongens uit de band, vandaar die regenjas: ik wilde absoluut niet herkend worden. En maar rondjes lopen, tot ik zeker wist: dít moet een dealer zijn. BAM, twintig jaar verslaafd.

Snel geld

Verder in mijn verslavingsgeschiedenis begon ik te zwerven. Ik wilde geld hebben, snel geld. Wat deed ik: mijn huis verhuren. Aan Amerikanen. Mijn huis zag er pico bello uit, tuin op het zuiden en zo. Ik vroeg vierhonderd euro per week. Dat was binnen twee dagen op. Kon ik nergens heen, want die mensen zaten in mijn huis. Een plan B had ik niet. Mijn plan was scoren. Bij Magna Plaza lag het toen nog vol met slaapzakken. Daar ben ik gewoon tussen gaan liggen. Ik deelde wel eerst wat uit. Goodwill kweken, dat is altijd handig, dan word je geaccepteerd. Later vond ik mijn eigen plekje, in de parkeergarage van het Waterlooplein onder de Stopera.

Na tweeën wordt het eenzaam in de stad...

... Dan loop je tussen de hoerenlopers. Alle dealers zijn vertrokken, met de laatste metro naar de Bijlmer. Die jongens verstopten toen hun spullen hier in de binnenstad, omdat ze er niet mee gepakt wilden worden in de metro.  Dan had je een heel zoekend publiek, dat tot half vijf ‘s ochtends bijna letterlijk over de straten kroop. En maar zoeken, zoeken, zoeken. Soms had je beet en vond je iets in een plantenbak.

Op een gegeven moment ging ik jatten. In opdracht. Daar was ik heel goed in. Dan ging ik met een tas naar de dvd-afdeling van de Bijenkorf. Een verdieping lager haalde ik die magneetstripjes eraf. Liep ik zo naar buiten. Tot die ene keer... Was er een stripje aan mijn voetzool blijven plakken. Het alarm ging af. Ik rennen! Ze hadden me al een hele tijd in de smiezen, zeiden ze, maar hadden nooit bewijs. Ik kwam gewoon overal mee weg. Ook bij mijn familie, terwijl ik alleen maar geld van ze wilde. Echt verschrikkelijk eigenlijk.

Inmiddels ben ik bijna tien jaar clean en vertel ik mijn verhaal als gids bij Amsterdam Underground”.

III Buitenslapers

Slapen op waakstand

Onder de brug in de buurt  van het Scheepvaartmuseum liggen drie mannen te slapen. Ze slapen op waakstand. Bij elk geluid, gaat er bij alle drie de mannen een oog open. 

 

Verderop staat een visser. De nacht is snoekbaars-time! Wel zou er beter moeten worden gehandhaafd, aldus deze nachtelijke visser aan het IJ. Niet op daklozen maar op vissers. Sommigen nemen te kleine snoekbaarzen mee naar huis, kleiner dan dertig centimeter. Dat mag niet. Maar handhaving doet niets.

Daar denkt de gemiddelde buitenslaper anders over. Hoe zorg je dat je niet wordt weggestuurd en een boete krijgt? Waar lig je nog een beetje uit de wind en hoe zorg je dat  je plek niet wordt ingenomen door een andere buitenslaper?

“’s Nachts moet je een muis worden”, zegt een vaste bezoekster van de inloophuizen van De Regenboog Groep: “Je moet je klein maken. Muizen kruipen ook in de kleinste gaatjes. Ik sliep toen ik dakloos was in afvalcontainers. Dat zou nu niet meer kunnen, want tegenwoordig zitten ze 's nachts op slot, maar toen konden de luikjes nog open. Ik paste er precies doorheen. Binnen in die container is het ruim hoor!”

Buitenslapers zijn creatief. Ze slaan hun tentje op in het bos, maken een vuurtje, gaan onder een stapel bladeren liggen of wikkelen zich in plastic verpakkingsmateriaal tegen de kou.

Bij een bushalte zit een man op het bankje. Door de coke is hij klaarwakker.

“Slapen bij het Stoelenproject? Mij niet gezien,” zegt hij en maakt een gebaar alsof hij peterselie aan het hakken is. “Matrasje, matrasje, matrasje.” De boodschap is duidelijk. Hij wil niet als sardientjes naast elkaar liggen. “Ik loop straks gewoon een hotel binnen. Dan vraag of ik naar de wc mag en loop ik door naar de kelder of ik pak de lift naar de bovenste verdieping en ga ergens in een halletje liggen.”

Een korte pauze. Daarna splijt zijn gezicht open, laten we het houden op een lach. “Ik ben vandaag jarig!”

Zijn hand wordt een vuist.

“Echt waar, ik ga zo gebakjes halen bij de Texaco. Kom, geef me een boks.”

Het is half vier.

 

Wij maken Amsterdam socialer, help je mee?

Aanmelden als vrijwilliger

 

Doneren, machtigen of iets nalaten